Rhesusfactor

Rhesusfactor

Tijdens je eerste bezoek aan de verloskundige wordt je rhesusfactor vastgesteld aan de hand van een klein bloedonderzoek. Je rhesusfactor is positief of negatief. Positief betekent dat er een bepaalde eiwitachtige stof in je bloed aanwezig is. Bij een negatieve rhesusfactor ontbreekt deze stof.

In de 27e week van je zwangerschap is in jouw bloed te zien of je ongeboren kind rhesus positief of negatief is. Het merendeel van de mensheid heeft een positieve rhesusfactor. In Nederland heeft slechts 15% van de vrouwen rhesus negatief bloed.

Is je rhesusfactor positief of negatief?

Als je rhesusfactor positief blijkt, is er niets aan de hand, ook niet wanneer je kind rhesus negatief bloed heeft. Bij een negatieve rhesusfactor zul je tijdens je zwangerschap extra in de gaten worden gehouden. Als het bloed van je kind rhesus positief is, ‘botst’ dat met jouw bloed. Om te voorkomen dat je antistoffen aanmaakt tegen het bloed van je baby krijg je in de 30e week van de zwangerschap een zogenoemde anti-D-prik of rhesusprik. Voor 2011 kregen jaarlijks zo’n 27.000 zwangeren met rhesus negatief bloed de rhesusprik, omdat er nog geen bloedtest in gebruik was voor je ongeboren baby. Tegenwoordig is dat ca. 40% minder. Met de nieuwe screening kunnen verloskundigen en gynaecologen deze prik veel gerichter toedienen.

Wat is rhesusziekte?

Wanneer jij rhesus negatief bent en je baby is rhesus positief, kan dit in sommige gevallen leiden tot rhesusziekte bij je baby. Tijdens je zwangerschap kan er overigens weinig gebeuren. De baby in je baarmoeder heeft een eigen bloedsomloop, dat losstaat van de jouwe. De kans dat jouw bloed tijdens je zwangerschap in aanraking komt met dat van je baby is dan ook klein.

Tijdens de bevalling is die kans echter tamelijk groot. Als er bloed van een kind met een positieve rhesusfactor terechtkomt in het bloed van een rhesus negatieve moeder, kan het lichaam van de moeder antistoffen aanmaken tegen het bloed van haar baby. Wanneer deze antistoffen via de navelstreng weer terechtkomen in het bloed van de baby, breken ze het bloed van het kind af, wat ernstige gevolgen kan hebben.

In de meeste gevallen ontstaan de problemen pas bij een tweede of latere zwangerschap. Als het rhesus positieve bloed van de baby namelijk pas tijdens de geboorte in aanraking komt met het rhesus negatieve bloed van de moeder, begint de moeder pas na de geboorte met het aanmaken van antistoffen. Deze kunnen dit eerste kind dan geen kwaad meer doen. Ze kunnen het rhesus positieve bloed van een volgend kind echter wel aantasten.

Gelukkig bestaat er de rhesusprik. Deze prik vernietigd de bloedcellen van je baby die in jouw bloedbaan terecht zijn gekomen. Hierdoor maakt je lichaam geen antistoffen aan. De rhesusprik wordt twee keer toegediend, in week 30 van je zwangerschap en 48 uur na de geboorte.

Rhesus c-negatief en rhesus d-negatief

De meeste vrouwen die een negatieve rhesusfactor hebben, zijn rhesus d-negatief. Een kleine groep is echter rhesus c-negatief. Bovengenoemde risicoā€™s en gevolgen zijn bij rhesus-c kleiner dan bij rhesus-d. Er bestaat dan ook geen prik voor, maar je zult bij een negatieve rhesus-c factor wel hetzelfde bloedonderzoek krijgen om te kijken of je antistoffen aanmaakt.