
Afbouwen van middagdutjes: hoe pak je dat goed aan?
Weigert je kind zijn middagslaapje of wordt hij steeds kort na het dutje wakker? Dan vraag je je als ouder misschien af of het tijd is om een slaapje af te bouwen. In de meeste gevallen is dat nog niet zo. Vaak heeft het te maken met een minder goede timing van de slaapjes of een andere oorzaak. Maar wanneer is je kind er wél aan toe? En hoe doe je dat zonder dat je kind oververmoeid raakt? In dit artikel lees alles over het afbouwen van de middagdutjes.

Beoordeeld door
Stephanie MolenaarSlaap- en onrustdeskundige
Wanneer bouw je een middagslaapje af?
Na de babyfase is overdag slapen voor een jong kind nog steeds heel normaal. Kinderen doen rond hun eerste verjaardag nog twee dutjes op een dag. Als je kind ouder wordt, vervalt een dutje en ga je over naar één langere middagslaap die dan later in de peuterleeftijd, of soms de kleuterleeftijd, helemaal komt te vervallen. Afbouwen doe je pas als je kind dit zelf aangeeft. Hieronder delen we een aantal richtlijnen per leeftijd. Weet dat je kind hiervan kan afwijken. Dat is prima, zo lang je kind maar voldoende rust krijgt en niet oververmoeid raakt.
Vanaf 1 jaar
Tussen 12-18 maanden doen alle kinderen nog twee slaapjes overdag. Vaak wordt gedacht dat kinderen rond de 16 maanden met een slaapje minder kunnen, maar dit is vaak niet zo. Het heeft te maken met hun ontwikkeling en de onrust die daarbij hoort en niet met een verminderde slaapbehoefte. Juist door te vroeg een dagslaapje te laten vervallen, kunnen slaapproblemen ontstaan.
Rond 18 maanden
Rond 18 maanden is de slaap van je kind ver genoeg ontwikkeld om deze anders te spreiden en om ook langer wakker te kunnen zijn tussen de slaapjes. Dit is vaak goed te zien doordat je kind dan ‘plots’ niet meer zo vlot inslaapt (waar dit eerst wel goed ging) onrustig of snel weer wakker wordt (waar eerst goed werd geslapen) en daardoor vaak ’s avonds ook moeilijker de slaap kan vatten.
Zomaar een slaapje overslaan kan net een brug te ver zijn. Daarom is het fijn om eerst met een tussenritme te werken. Je kind kan dan wennen aan langer wakker zijn en de slaapuren meer naar het andere slaapje en/of de nacht verplaatsen. Dit doe je door na wakker worden uit de nacht maximaal drie uur wakkertijd te geven, je schuift het ochtendslaapje dus wat meer op richting de lunch. Na dit slaapje kijk je of je weer drie uur wakkertijd kunt geven, maar je wilt dan niet te laat in de namiddag uitkomen. Dit slaapje mag eerst steeds korter worden. Na wakker worden reken je weer vier uren tot bedtijd.
Dus bijvoorbeeld:
07.00 - wakker
10.00-12.00 - slapen
15.00-15.45 - slapen
19.45 - naar bed
5-5 Ritme
Kom je wel uit na 17.00? Dan is het eerste slaapje al voldoende geweest en is je kind er klaar voor om één dagslaapje te doen. Dan reken je met het 5-5 Ritme. Dus als je kind om 07.00 de dag start, is er een slaapje om 12.00 tot bijvoorbeeld 14.00 en is het weer bedtijd om 19.00. Het is de bedoeling dat het aantal slaapuren niet zoveel verandert, maar minder wordt verspreid over de 24 uur. Het andere slaapje of de nacht worden wat langer.
Vanaf 2,5 jaar
Vanaf 2,5 jaar zie je vaak dat peuters hun middagslaapje gaan weigeren of dat dit een stuk moeizamer gaat en ze meer weerstand gaan bieden. Meisjes doen dit eerder dan jongens. Weet dat peuters van deze leeftijd zeker nog een dutje nodig hebben, in ieder geval tot 3 jaar. Het dutje weigeren ontstaat vaak, doordat ze zich volop aan het ontwikkelen zijn. Blijf het dutje aanbieden, heb geduld en weet dat dit na een tijdje weer beter zal gaan.
Merk je dat het dutje erg moeizaam gaat? Houd dan goed de slaapsignalen in de gaten. Groeien betekent ook dat je kind steeds langer wakker kan zijn, je kunt dus ook te vroeg zijn met het slaapje. Kinderen gaan van een 5-5 Ritme naar een 6-6 Ritme, schuif dus op basis van de slaapsignalen het dagslaapje eerst weer op, de bedtijd wordt hierdoor ook later (maar wel uiterlijk 21.00).
Rond 3 jaar
Vanaf deze leeftijd beginnen peuters meer persoonlijk te slapen. Waar het ene kind klaar is om de dagslaap te laten vervallen, kan het andere kind het nog fijn vinden. Merk je dat je kind steeds lastiger inslaapt of korter slaapt? Reageer responsief, dus reageer op wat je kind laat zien, kijk goed naar de slaapsignalen en laat je kind zelf bepalen hoe lang het slaapje is.
Geen slaapje meer?
Doet je kind geen slaapje meer? Bied dan een rustmoment aan, bijvoorbeeld door samen even een boekje te lezen. Om oververmoeidheid en strijd bij het slapen gaan te voorkomen, vervroeg je de bedtijd. Blijf het slaapje overigens wel aanbieden. Op een drukke dag kan je kind er bijvoorbeeld wel behoefte aan hebben en sommige kinderen doen de ene dag geen slaapje overdag en de andere dag wel. Op de dagen dat er geen dagslaap is, kun je uitgaan van het 12-12 Ritme. Dus als de dag om 07.00 begint, dan ligt je kind om 19.00 in bed voor de nacht.
Dutje wel of niet laten vallen? Let op deze signalen
Je kind bepaalt ‘zelf’ of hij klaar is voor het laten vallen van een slaapje. Het kan voor jou als ouder lastig zijn om te bepalen wanneer het juiste moment is aangebroken. Ook krijg je te maken met slaapmaturaties, door ouders vaak slaapregressies genoemd. Dit zijn fases waarbij je kind een grote (slaap)ontwikkeling doormaakt. Slapen gaat namelijk ook in sprongen, waarbij het eerst even achteruit gaat (regressie) om vervolgens vooruit te gaan (progressie) en de slaap matureert (volwassen wordt). Je kind kan hierdoor een periode onrustiger slapen, zowel overdag als ’s nachts, wordt vaker wakker of kan moeilijker in slaap vallen. Je gaat dus eerst een paar stapjes achteruit om vervolgens heel wat stappen vooruit te gaan. Deze fase kan 3 tot 6 weken duren.
En daarna? Je kind kan beter omgaan met wakker zijn. Hierdoor kunnen de slaaptijden veranderen en komt de slaap meer in langere blokken. Denk dus niet te snel dat je kind niet meer wil slapen overdag. Als je kind te weinig slaap krijgt en oververmoeid raakt, kan dit juist de situatie verergeren met slechter en onrustig slapen tot gevolg.
Signalen voor het afbouwen van een dutje
Je kunt een aantal signalen bij je kind gaan zien die erop wijzen dat hij klaar is om een dutje te laten vallen. Denk aan het volgende.
Het kost je kind veel tijd om in slaap te vallen, meer dan 20 minuten, waarbij je kind eerder wel vlot in slaap viel.
Je kind wordt snel wakker uit een dutje of slaapt korter dan je gewend bent (bijvoorbeeld 50 minuten waar eerder 100 minuten werd geslapen).
Bouw een overgangsfase in
Voor alle dutjes die je afbouwt, betekent dit dat je kind de ene dag nog wel een dutje nodig heeft en de andere dag niet. Je hebt dus te maken met een overgangsfase. Je kind heeft daarin begeleiding nodig. Dus kijk goed naar hem en check of hij moe is. Het is helemaal niet gek om in de overgangsfase je kind soms wel en soms niet te laten slapen. Op gegeven moment merk je dat je kind steeds beter zonder zijn middagslaapje kan. Het is daarbij goed om de bedtijd voor de avond wat te vervroegen, zodat je kind niet oververmoeid naar bed gaat.
Wat als je te snel afbouwt?
Het belangrijkste signaal dat je een dutje te snel hebt laten vallen, is een verandering in de stemming en het slaapgedrag van je kind. Veel peuters raken dan (over)vermoeid, hangerig en driftig. Dit uit zich vaak in onrustige nachten of vaker wakker worden.
Vroeg wakker worden
Is vroeg wakker worden een teken dat je kind overdag te veel slaapt en dat het misschien tijd is om een dutje te laten vallen? Nee, die bewering klopt niet. Als je kind vroeg wakker wordt (voor 06.00 uur) betekent dat hij juist te weinig slaapt krijgt overdag, de timing niet klopt of dat een dutje te snel is weggevallen. Twijfel je en heb je het gevoel dat jouw kind nog wel toe is aan een extra dutje? Dan kun je dit dutje gerust (tijdelijk) weer aanbieden.
Lees ook: Alles over het slaapritme van je kind
Slaapje(s) afbouwen? Zo help je je kind
Heb je een dutje overgeslagen? Leg je kind dan bij het volgende dutje of bij bedtijd wat eerder in bed. Zo help je oververmoeidheid voorkomen. Minder dagslaap betekent een eerdere bedtijd.
Je kunt het dutje vervangen door samen een rustige activiteit te doen, zoals knutselen, tekenen, voorlezen, puzzelen of een spelletje. Het is heel begrijpelijk dat je graag meer op pad wilt nu dat kan, maar juist in de eerste periode helpt het om bewust rustmomenten in te bouwen.
Lees ook: Gaat je kind gaat steeds weer uit bed? Dit kun je doen
Ontdek meer tips en adviezen van deskundige Stephanie Molenaar.