Prenataal onderzoek

Resusfactor

Tijdens je eerste bezoek aan de verloskundige wordt na een klein bloedonderzoek je resusfactor vastgesteld. Deze is positief of negatief. Positief betekent dat er een bepaalde eiwitachtige stof in je bloed aanwezig is. Bij een negatieve resusfactor ontbreekt deze stof.

Zwangere vrouwen met de bloedgroep resusnegatief krijgen vanaf 1 juli 2011 niet meer automatisch de zogeheten resusprik toegediend. Vanaf dan is er namelijk een nieuwe bloedtest in gebruik, waarmee al in de 27e week van de zwangerschap is te zien of het ongeboren kind resuspositief of -negatief is. Voorheen kon dit alleen na de bevalling worden vastgesteld.

  • Als je resusfactor positief blijkt, is er niets aan de hand (ook niet wanneer je kind resusnegatief bloed heeft).
  • Bij een negatieve resusfactor zul je tijdens je zwangerschap extra in de gaten worden gehouden. Als het bloed van je kind resuspositief is, 'botst' dat met het bloed van de moeder. Om te voorkomen dat je antistoffen aanmaakt tegen het bloed van de baby krijg je in de 30e week van de zwangerschap een zogenoemde anti-D-prik of resusprik.

Tot nu toe kregen jaarlijks zo'n 27.000 zwangeren met resusnegatief bloed de resusprik, tegenwoordig is dat ca. 40% minder. Want met de nieuwe screening kunnen verloskundigen en gynaecologen deze prik veel gerichter toedienen.

Tijdens de zwangerschap kan er overigens weinig gebeuren. De baby in je baarmoeder heeft een eigen bloedsomloop, die losstaat van de jouwe. De kans dat jouw bloed tijdens je zwangerschap in aanraking komt met dat van je baby is dan ook klein.

Tijdens de bevalling is die kans echter tamelijk groot. Als er bloed van een kind met een positieve resusfactor terechtkomt in het bloed van een resusnegatieve moeder, kan het lichaam van de moeder antistoffen aanmaken tegen het bloed van haar baby. Wanneer deze antistoffen via de navelstreng weer terechtkomen in het bloed van de baby, breken ze het bloed van het kind af, wat ernstige gevolgen kan hebben.

In de meeste gevallen ontstaan de problemen pas bij een tweede of latere zwangerschap. Als het resuspositieve bloed van de baby namelijk pas tijdens de geboorte in aanraking komt met het resusnegatieve bloed van de moeder, begint de moeder pas na de geboorte met het aanmaken van antistoffen. Deze kunnen dit eerste kind dan geen kwaad meer doen. Ze kunnen het resuspositieve bloed van een later kind echter ernstig aantasten. Sinds 1965 bestaat er echter een antiserum dat complicaties kan voorkomen.

Overigens heeft het merendeel van de mensheid een positieve resusfactor. In Nederland heeft slechts 16 % van de bevolking resusnegatief bloed.

 

 
Reacties ( 3 )
afbeelding van Irsi1982
27 maart 2012

Ik behoor nu ook bij die 16% maar bij mn vorige zwangerschap heb ik er geen 'last' van gehad. Toen heb ik ze er niet over gehoord, hoe zit dat dan??
afbeelding van Alicia en Jairo
23 februari 2012

Ook ik behoor tot die 16%, mijn zoontje was echter wel resus positief, ik heb met 30wkn zwangerschap en na de geboorte van mijn zoon dan ook de resusprik gehad.
afbeelding van a.m.1977
10 februari 2012

Ik behoor tot die 16%. Heb bij beide kinderen geen injectie gehad, omdat hun allebei ook rhesus negatief zijn.
Maar mooi dat er iets bestaat wat een eventueel probleem kan voorkomen. Gelukkig komt het niet zo vaak voor dat het mis gaat. Tenminste in Nederland.....